Ik werd in december 63. Althans: dat bleek zo te zijn. De gehele maand ervoor was ik er heilig van overtuigd dat ik 62 zou worden. Wat op zichzelf een hoop zegt; over hoe geruisloos leeftijd zich soms aandient. Je wordt niet ouder met tromgeroffel, maar met kleine administratieve vergissingen. Met een brein dat eerst heel onschuldig irrelevante dingetjes vergeet, om veel later – maar wanneer; dat is de vraag – ook al het ándere te vergeten. En daar zit je dan ineens, met je luier, in huize Avondrood.
Die gedachte hield me bezig in Edinburgh, waar ik de eerste dagen van dit nieuwe jaar doorbracht. Een stad die ouderdom met een bewonderenswaardige vanzelfsprekendheid draagt. Straat na straat kun je er genieten van statige in Georgian Style (19e eeuw) opgetrokken huizen. Grijze stenen, contrasterend met felgekleurde voordeuren. Door de ramen zie ik jonge gezinnen in moderne interieurs.
Daar zo rondlopend dacht ik aan deze column, die ik nu meer dan twintig jaar schrijf. Ik vroeg me af of ik na twintig jaar columns schrijven niet een beetje voorspelbaar ben geworden. ‘Te oud, misschien?’, zo vroeg ik mezelf af.
Maar het grappige is; die dagen in Edinburgh werd ik iedere dag iets vrolijker. Het joie de vivre van de Schotten was aanstekelijk, het beklimmen van de berg Arthurs’ Seat aan de rand van de stad gaf me een gevoel van fitheid en triomf; en de zachte vriendelijkheid van de hipster-fietsverhuurder ontroerde me.
In Edinburgh kreeg ik uitvergroot het besef wat ik al langer voelde; dat ik steeds vaker vrolijk word van simpele dingen. Zoals: ineens op straat een dansje doen, in de hoop dat ik mijn vrouw aan het lachen krijg. Hoe infantiel het ook moge klinken; het geeft mij een fijn gevoel. “It takes a long time to become young’, zei Picasso. Dat vind ik hoopgevend, want hij werkte door tot zijn dood op 91-jarige leeftijd en hij had er altijd lol in.
Ik heb daarom besloten nog een jaar door te gaan met deze column. Niet uit routine, maar uit nieuwsgierigheid. Misschien lukt het me om à la Picasso jong te worden. En daarbij toch mijn waardigheid te behouden. Als een Georgian huis; grijs en statig van buiten, van binnen verouderde bedrading, maar met een fris Scandinavisch meubilair, die dat alles zeer draaglijk maakt.
